Jeff Wiggins: lezing 11 september 2009 Centre Ceramique Maastricht
Speech Jeff Wiggins op donderdag 10 september 2009
in Centre Céramique, Maastricht.
De heer Wiggins was op uitnodiging van de Gemeente Margraten en de Stichting Akkers van Margraten aanwezig bij de presentatie van het boek ‘Van Boerenakker tot soldaten kerkhof’.
Hij is een van de laatstlevende ooggetuigen van de aanleg van de Amerikaanse begraafplaats. Als sergeant gaf hij leiding aan een groep zwarte ‘diggers’.
Beste mensen,
Ik ben verheugd en vereerd dat ik hier vandaag het woord tot u mag richten.
Allereerst wil ik diegenen bedanken die dit mogelijk gemaakt hebben:
Het team Akkers van Margraten:
Mieke Kirkels
Frans Roebroeks
Jo Purnot
Eugenie Jansen en
Albert Elings
evenals Frederique Stille and Valerie Ruijpers van Centre Céramique in Maastricht.
Ik heet tenslotte ook de andere veteranen die hier vandaag geëerd worden welkom.
De geschiedschrijving van de bevrijding van Nederland bevat nu ook de namen van de mensen die zoveel gedaan hebben om deze week met alle manifestaties mogelijk te maken.
“Als rumoer en geschreeuw verstorven,
Kapitein en koning vertrokken is;
Duurt uw eeuwig offer voort,
Een nederig en berouwvol hart.
Heer der heerscharen verlaat ons niet
opdat we niet vergeten, niet vergeten!”
Strofe uit Recessional, (R. Kipling 1879)
(vertaling: Emma Crebolder en Paul Westerneng)
Er wordt wel eens gezegd ‘dat het verleden deel uitmaakt van het heden ’ en dat klopt. Ik vermoed dat Kipling hier aan dacht toen hij de dichtregels schreef die ik zojuist aan u voorlas.
Vandaag zijn we hier bijeen om te vieren wat sommigen ‘het heden en het verleden ’ noemen. De kanonnen in de tweede wereldoorlog kwamen tot zwijgen. De overwinnaars en de overwonnenen zijn ieder huns weegs gegaan.
Maar vandaag staan wij stil bij het offer dat gebracht is en uit de grond van ons hart zeggen wij tegen elkaar, ‘Wij zullen het nooit vergeten’.
Met droefheid in het hart maar vastbesloten zullen wij stil staan bij wat er vijfenzestig jaar geleden plaatsvond.
Ruim vijfenzestig jaar geleden, kwamen tweehonderd zestig van onze wapenbroeders aan in het dorp Margraten – een dorp waar geen van ons ooit van gehoord had.
In veel opzichten leek het op de dorpen en de plattelandsgemeenschappen waar wij vandaan kwamen.
Wij hadden te horen gekregen dat wij moesten gaan helpen bij de aanleg van een begraafplaats – de laatste rustplaats voor zo velen die het ultieme offer gebracht hadden.
Net als de bevolking van Margraten, hadden wij geen idee dat wij betrokken zouden raken in een onderneming die ons leven ingrijpend zou veranderen en die ons vijfenzestig jaar later terug zou voeren naar deze plaats, nu om onze eer te betonen, te rouwen en een laatste groet te brengen aan diegenen die wij hier begraven hebben.
Vijfenzestig jaar geleden was ik een boerenjongen van negentien uit Alabama die nooit verder dan drie mijl van de katoenvelden bij ons huis geweest was.
In mijn hele leven had ik nog maar één dode gezien – mijn zusje dat overleed toen zij elf was. Zij droeg haar zondagse jurk; dat herinner ik mij nog heel goed.
De mensen die op rouwbezoek kwamen, waren vrienden en buren. Iedereen vond het zo tragisch omdat het veel te vroeg is om dood te gaan als je pas elf jaar bent.
De moedige soldaten die wij hier in Margraten begroeven, waren wel wat ouder dan elf maar wij vinden toch allemaal dat zij veel te jong gestorven zijn.
Ik herinner mij nog die vrijdagochtend toen wij uit de legervoertuigen stapten, over de landerijen van Margraten keken en de vrachtwagens zagen staan, afgeladen vol met doden.
Het raakte mij diep dat er bij deze doden geen vrienden of verwanten waren om te rouwen om hun dood. Er was geen familie, er waren geen vrienden die aan het graf stonden om hen ‘een laatste groet’ te brengen.
Er waren slechts twee honderd zestig Afro-Amerikaanse soldaten wier enige taak was waardigheid en respect te tonen en een onhoorbaar ‘vaarwel’ uit te spreken.
Wij hadden orders gekregen de laatste eer te bewijzen aan diegenen met wie wij in het dagelijkse leven niet mochten omgaan.
Maar op die eerste dag beseften wij, dat wat wij ook hadden meegemaakt als Afro-Amerikanen, het onze plicht was - onze vooroordelen, onze ideeën over huidskleur en onze angsten opzij te zetten - om deze jonge Amerikanen de eer, het respect en de waardigheid te betonen die zij zo oprecht verdiend hadden.
Voor dat wij naar Margraten kwamen, dachten wij dat wij onderdeel waren van een toeleveringscompagnie die voedsel leverde aan de troepen, hielp bij het vrijmaken van de wegen en soms bij constructiewerkzaamheden.
Wij waren een vrolijk stel – altijd zin in een grap of een grol, vol kritiek en soms vertelden wij elkaar verhalen die niet altijd helemaal waar waren.
Eigenlijk probeerden wij gewoon onze plicht te doen zoals deze omschreven was door onze commandanten.
Maar in Margraten lag dat anders. Vanaf het moment dat wij uit de legervoertuigen stapten beseften wij op de een of andere manier dat het hier ging om leven en dood.
Wij leefden, maar daar voor ons lagen honderden doden.
Onze commandanten, waarvan één van hen hier vandaag aanwezig is, namen mij, als 1ste Sergeant, mee om mij het plateau van Margraten te laten zien.
Op die koude winterdag, keken wij uit over de vlakte die nu de Begraafplaats Margraten is, en zagen een vlak land met resten opgestoven sneeuw.
Het was er onaangenaam stil.
Het weinige geluid dat wij hoorden kwam van de talloze vrachtwagens die hun doden uitlaadden en zoals wij later begrepen, weer op weg gingen om nog meer doden op te halen.
Het was onze taak de tweehonderd zestig grafdelvers in te delen in ploegen zodat er effectief en doelmatig gewerkt kon worden.
Maar waar moest je beginnen als blijkt dat dit de laatste rustplaats zou worden voor meer dan twintigduizend doden?
De mensen van de Grave Registration-compagnie hadden alles in kaart gebracht en zij vertelden ons waar en hoe te werk te gaan.
Uiterst nauwgezet moesten de metingen en de planning van de Grave Registration-compagnie zijn, want zij konden wel inschatten hoeveel mensen er uiteindelijk in Margraten begraven zouden worden.
Zo te zien was het land vlak en kaal. Het leek alsof het land onder deze winterse omstandigheden braak lag en na de voorjaarsdooi zouden de boeren het land weer gaan bewerken en verbouwen wat er al zo geteeld wordt op deze plek op aarde.
Het land zag er vruchtbaar uit, klaar om weer bewerkt te worden, zoals het ongetwijfeld altijd was bewerkt.
En toch voelde het nu anders.
Als gevolg van het oorlogsgeweld zouden hier nu de lichamen van mensen aan de grond worden toevertrouwd, lichamen van mensen wier laatste gedachten gericht waren op het veilig stellen van hun eigen vrijheid, de vrijheid van de degenen die direct bij de oorlogshandelingen betrokken waren en de vrijheid van toekomstige generaties.
De kapitein zei tegen mij: ‘Je revolver of geweer heb je hier niet nodig, je hebt geen wapens nodig. Wat je hier nodig hebt zijn handschoenen en een schep.’
Volgens de mensen van de Grave Registration moest ieder graf even groot zijn – zes voet lang, zes voet diep en drie voet breed.
De kapitein zei: ‘Sergeant Eerste Klasse roep je mannen en ga aan de slag.’
Toen besefte ik pas dat dit het moeilijkste en meest ingrijpende was wat wij ooit hadden meegemaakt.
Het was zo stil op de begraafplaats; het leek of iedereen fluisterde. Ik denk niet dat we fluisterden maar zo leek het.
Het was koud en het leek of het nooit meer zou ophouden met regenen.
De grond was hard en als wij de dekzeilen wegtrokken zagen we de gezichten van jonge Amerikanen, die zoals Abraham Lincoln zei: ‘het grootste offer hadden gebracht’.
Zij hadden hun leven gegeven voor iets dat boven hen uitsteeg, iets dat uitsteeg boven ons allemaal.
Het was heel moeilijk voor deze negentienjarige Sergeant 1ste klas in november 1944 om te bevatten wat er allemaal om hem heen gebeurde en wat er zich allemaal afspeelde bij de andere geallieerden troepen, troepen die zich tot het uiterste inspanden om hun opdracht uit te voeren en een eind te maken aan de oorlog.
Omdat er iedere dag zo veel doden aangevoerd werden, werd ons aangeraden ons alleen bezig te houden met die tweehonderd lichamen die wij iedere dag moesten begraven.
Maar toch kon ik die ene begrafenis, voordat ik naar Margraten kwam, niet vergeten.
In mijn herinnering was iedereen in tranen in dat dorpskerkje waar afscheid genomen werd van mijn zusje.
Maar wie treurde en rouwde er voor de soldaten wie wij begroeven?
Het leek wel of de vrachtwagens die de doden aanvoerden net altijd een fractie voorlagen op onze capaciteit om graven te delven en te zorgen voor een fatsoenlijke begrafenis die zij zo verdiend hadden.
Na enige dagen zei iemand: ‘Maak je geen zorgen, je raakt er wel aan gewend.’
Wat een onnadenkende opmerking was dat!
We raakten er nooit aan gewend. En vijfenzestig jaar later kunnen we er met ons verstand nog steeds niet bij.
Wij waren zwarte Amerikanen, die de opdracht hadden witte Amerikanen te begraven.
Maar in het gewone leven konden wij niet in dezelfde eetzaal eten of naar de dezelfde gezelligheidsvereniging gaan. Maar we mochten ze wel begraven.
Toen zij nog leefden, mochten wij niet met hen omgaan.
Het toppunt van ironie was dat wij, op het meest eerbiedwaardige moment van hun leven – het moment van de dood – deze plechtige taak kregen toebedeeld.
Wij sliepen slecht. Onze dag op de begraafplaats begon zodra het licht werd en eindigde pas als het donker werd.
Wij waren net over de Belgische grens gelegerd, zo’n twintig á vijfentwintig minuten rijden van de begraafplaats.
Onderweg naar de begraafplaats werd er honderduit gepraat, maar hoe dichterbij wij kwamen hoe stiller het werd. Tegen de tijd dat wij aankwamen was het stil.
We trokken onze handschoenen aan en pakten onze schep en begonnen aan het deprimerende werk, net als de dag er voor.
Rond een uur of elf mochten wij een kwartiertje pauzeren. Maar door de aard van het werk, voelden velen dat het psychologisch gezien beter was om geen pauze te nemen en door te gaan met graven.
Het was de taak van de Graves Registration-compagnie om iedere soldaat zo zorgvuldig mogelijk te identificeren voor hij begraven werd. Er was altijd iemand van deze compagnie in de buurt om ons te informeren wie wel en wie er niet geïdentificeerd was.
Het was voor de grafdelvers een geruststelling te weten dat de identiteit van de soldaten die begraven werden uitermate zorgvuldig nagetrokken, gecontroleerd en geverifieerd was.
Er waren maar weinig lichamen die niet ter plekke geïdentificeerd konden worden. De mensen van de Graves Registration deden al het mogelijke voordat wij soldaten mochten begraven in de graven die als ‘onbekend’ gekenmerkt waren.
Het delven van de graven was zwaar. Ik neem aan dat zelfs onder ideale omstandigheden het begraven van doden moeilijk en zwaar is. Maar onder deze omstandigheden grensde het aan het onmogelijke.
Het was koud, heel erg koud. De grond was hard.
En een enkele keer begon de grond te schuiven waardoor het graf dreigde in te storten voordat wij het lichaam begraven hadden.
Ik weet nog dat onze handen vaak opgezwollen waren en dat we blaren op onze handen hadden. Vaak moesten de grafdelvers behandeld worden door de medische verzorgers.
Ondanks alles waren er maar heel erg weinig soldaten die klaagden over zere handen of een pijnlijke rug. Wij vonden dat als deze gevallen soldaten tot het uiterste gegaan waren, wij dat ook moesten doen.
Vaak is mij in de loop van de jaren gevraagd hoeveel lichamen er in een graf gelegd werden. Ieder lichaam werd apart begraven. De soldaten die het graf gegraven hadden moesten ook het lichaam in het graf leggen en het met aarde bedekken. Er waren geen massagraven, er was geen onverschilligheid ten aanzien van de doden.
Het was een deprimerende maar noodzakelijke taak.
Iedere ochtend als wij bij de begraafplaats aankwamen, stonden op een afstandje zes, soms acht jonge vrouwen naar ons te zwaaien. Het leek of zij niet dichterbij durfden te komen.
Achteraf drong het pas tot ons door dat dit waarschijnlijk de eerste keer was dat zij een zwarte man zagen. Zij waren behoedzaam en soms was het alsof ze bang waren. Maar toen de dagen weken werden, lieten zij hun angst varen en knoopten een praatje met ons aan.
Een jong meisje van een jaar of tien, twaalf misschien staat me nog levendig voor de geest. Zij sprak uitstekend Engels en zij vroeg of ik de baas was. Of ik in New York woonde? Op wat voor school ik gezeten had? Ik denk dat, meer dan wat dan ook, dit praatje mij ervan overtuigd heeft dat mensen waar ook ter wereld min of meer hetzelfde zijn.
Ik hoop dat dit jonge meisje een goede moeder en grootmoeder is geworden en als zij op de hoogte is van deze herdenking dan hoop ik dat zij contact met mij opneemt zodat wij samen herinneringen kunnen ophalen en kunnen praten over toen en nu.
Dit was het enige contact dat wij hadden met de bevolking van Margraten. Later hoorden wij dat de bevolking zeer behulpzaam was geweest bij het delven van de graven en het te rusten leggen van de soldaten. Maar toen waren wij al weg.
Dat was vijfenzestig jaar geleden.
Sindsdien is er veel veranderd. Maar het zou niet goed zijn als ik niets zou zeggen over dingen die – dat weet ik zeker - iedereen al weet.
Oorlog treft niet alleen de soldaten. Het heeft zijn weerslag op de kinderen van de soldaten. Het laat zijn sporen na bij de vaders en moeders, de grootvaders en grootmoeders.
Nog niet zo lang gelden sprak ik met mensen die mij vertelden wat het effect van de gebeurtenissen in Margraten is geweest op hun leven – mensen van wie familieleden hier begraven zijn.
Zij kwamen overal vandaan in de Verenigde Staten – uit Mount Morris (Pennsylvania) en Hopkinsville (Kentucky), uit North Adams (Massachusetts) en Newkirk (Oklahoma).
Ieder van hen had zijn eigen verhaal – sommigen vertelden over een broer, anderen over hun echtgenoot, vader of vriend. Sommige dierbaren waren teruggebracht naar huis na aanvankelijk begraven te zijn geweest in Margraten, anderen bleven hier.
Ieder verhaal was uniek, maar toen zij met mij spraken, werd het duidelijk dat zij iets gemeen hadden. Allemaal vertelden zij dat zij nu eindelijk iets konden afsluiten nu zij met iemand gepraat hadden die met zijn eigen handen de soldaten in Margraten had begraven – iemand die daar geweest was om ‘Vaarwel’ te zeggen.
De oorlog heeft zijn weerslag op ons allemaal en ik denk dat wij ons allemaal betrokken moeten voelen bij zo’n groot conflict als de Tweede Wereldoorlog.
De mensen in Nederland – en met name de bevolking van Margraten en Maastricht - weten dit maar al te goed.
Toen wij de doden begraven hadden, hadden wij, soldaten, weer andere taken en plichten te vervullen en uiteindelijk keerden wij terug naar huis.
Maar de twintigduizend soldaten die in Nederland begraven waren, bleven achter.
Wie namen het uiteindelijk op zich om zo’n grote begraafplaats te beheren?
Wie zorgden ervoor dat wij ons al diegenen bleven herinneren die hun leven gaven om onze vrijheid te herwinnen?
De mensen in Nederland namen deze taak op zich.
Daarom vind ik dat wij dank verschuldigd zijn, in het bijzonder aan de mensen in Margraten en omgeving, die ieder jaar bloemen leggen op deze graven. Door dit te doen, zeggen zij in feite: “Wij danken jullie. Wij gedenken jullie en wij eren jullie.’
En ik zeg tegen deze toegewijde mensen die voor deze graven zorgen: ‘Dank jullie wel. Wij hebben respect voor jullie en wij zijn jullie erkentelijk.’
Het plateau van Margraten is niet alleen een plek waar wij zo velen hun laatste rusplaats gaven. Het leert ons ook iets over menselijke relaties.
Het laat ons zien dat wij hoe dan ook met elkaar verbonden zijn. Op de een of andere manier zijn wij allemaal afhankelijk van elkaar.
Misschien, heel misschien, als wij lang geleden ons hiervan bewust waren geweest,dan zouden de kanonnen in de Tweede Wereldoorlog nooit zoveel dood en verderf gezaaid hebben, of dan had het misschien geen zes jaar hoeven duren.
Maar wij deden niets met deze simpele theorie. En daar staan we dan, vijfenzestig jaar later en we proberen te doorgronden wat er allemaal gebeurd is. We proberen op allerlei manieren te voorkomen dat dit nog eens gebeurt.
Het werk van de stichting Akkers van Margraten zorgt ervoor dat de lessen uit het verleden in de herinnering van allen die na ons komen zullen blijven voort leven.
Hun werk heeft een blijvende brug geslagen die toekomstige generaties verbindt met de lessen uit het verleden. Ik weet dat er voor de mensen van de stichting een speciaal plekje in de hemel zal zijn want dat hebben zij verdiend.
Van alle woorden die hier gesproken zijn, zijn de woorden van de dichter die spreekt over het ‘slaan van bruggen’ het mooist. Luister u alstublieft naar haar woorden.
Bruggen bouwen
Een oude man op ’n lang, verlaten pad
kwam, toen het avond werd en grijs en nat,
aan bij een kloof, die steil was, diep en breed
en vol kolkend water stond, dat hij liever meed.
In de schemering hield de man even stil,
niet uit angst voor het water, hoewel koud en kil,
maar, om eenmaal veilig aan de overkant,
een brug te slaan tussen d’ een en d' andere kant’.
Zijn metgezel kwam naast hem staan
en zei: je verdoet je tijd, laten we verder gaan,
de duisternis valt, straks komt de nacht
en dan is deze zware reis volbracht.
We zijn nu aan de overkant, komen hier niet terug.
Waarom, beste man, dan nog deze brug?
De grijsaard keek hem aan en zei:
vriend, op deze weg liep, achter mij,
een jongeling. Die kloof, ondanks het slechte zicht
was voor mij geen gevaar, maar voor hem wellicht.
Hij moet dit laatste stuk nog gaan.
Die brug, dat heb ik voor hem gedaan.
Will Allen Dromgoogle
Hierbij vraag ik de toegewijde en fijne mensen uit Margraten en Maastricht- of eigenlijke alle mensen waar dan ook - gehoor te geven aan de oproep van deze dichter uit vroeger tijden maar ook aan die van hedendaagse dichters om door te gaan met het bouwen van bruggen die de kloof moeten overspannen van haat, onbegrip en vooroordelen.
En als dat lukt hoop ik dat wij niet steeds in dezelfde fouten zullen vervallen.
Over vijfenzestig jaar moeten wij terugblikken op deze gebeurtenissen en dan beseffen dat het echt mogelijk is in een wereld te leven waar geen geweld is.
De hand schrijft, de woorden leven voort.